Tjibbe Hooghiemstra : The Reading of Space


Alles begint ergens, en zoals altijd is dat ergens anders.
Ergens, maar niet hetzelfde.
Anders, maar niet hier.

Zo zou het hier kunnen beginnen, aan de uiterste westkust van Ierland. In Baile na Sceilge. Je mag het ook Ballinskelligs noemen, het ligt er maar aan waar je vandaan komt.
Achter het raam van je atelier strekt zich de Atlantische Oceaan uit. Kijk je op van het papier, los van verf en tekenpen, dan doemen er twee vormen op. Ze worden ingelijst door het kozijn. Twee vormen achter glas. Nee: twee vormen óp het glas. Scariff  zou je de ene kunnen noemen, Deenish de andere.
Je kunt zeggen dat het eilanden zijn.
Daar kun je foto’s van maken. Twaalf dagen lang bijvoorbeeld, iedere dag om twaalf uur.
Een handvol seconden is genoeg om de wolken te zien verschuiven en de kleuren te laten verschieten van blauw naar zwart naar bruin naar grijs - de kleuren van het water, het land, de lucht.

Maakt het uit met wat voor camera je dat doet? Nee, dat maakt niet uit.
Het jaartal is 1999. Ben je iets op het spoor? Meer dan een vermoeden is het niet.

Willem Poelstra [5, slot] : Handen


De fotograaf: 

Een oude nieuwbouwwijk met van die bij avond te donkere plekken. Bosjes, steegjes, brandgangen... Aan de achterkant staat een rijtje garageboxen, ook al in het duister. De politie is er al, en zelfs de brandweer. De zwaailichten zorgen voor een sinistere sfeer.
De jonge vrouw ligt in de garage tussen hoog opgestapelde verhuisdozen. Er brandt een kil tl-lichtje.
Haar man staat buiten op een afstand. Een politieman praat met hem.
Telkens wil hij weer naar de garage lopen. Dan houdt de agent hem met zachte hand tegen. Een inderhaast opgetrommelde vrouwelijke collega neemt drie kleine,

Willem Poelstra [4] : Bot


De fotograaf:

Maandagavond, 22.36 uur
Hij zit in de hoek op de bank, zij in de stoel ertegenover. Ondanks het late uur drentelt er een peuter door de kamer. Kleinkind, zeggen ze.
Zodra we binnen zijn, begint de vrouw te mopperen. 
Dat de huisarts niet wil komen.
Dat ze hem al weet niet hoe vaak gebeld heeft. 
Maar nee hoor, wat denk je? Jullie redden je maar, had hij gezegd.
Dus had ze de ambulance maar gebeld. Die komt altijd. 
Maar wat duurde het weer lang.

Willem Poelstra [3] : Bij twijfel, twijfel niet


De fotograaf legt uit: 

Er rijden in en rond Amsterdam twee ambulancediensten: die van de GGD en die van de VZA(Verenigd Ziekenvervoer Amsterdam). Samen beschikken ze over zeventig ambulances. Pakweg zestig zijn gestationeerd in de stad. Hoeveel precies, dat hangt ervan af hoe groot je Amsterdam rekent. Voor de GGD bijvoorbeeld bestaat Amsterdam uit de gemeenten Amsterdam, Amstelveen en Diemen en delen van Uithoorn, Ouder-Amstel en Aalsmeer – al met al zo’n negenhonderdduizend mensen.

Er zijn – stad en omstreken – negen ambulanceposten. Jaarlijks aantal ritten: zo’n negentigduizend. Het exacte aantal is opnieuw afhankelijk van de lijntjes op de kaart.

Willem Poelstra [2] : Ingewikkeld


De fotograaf zegt: 

Je weet nooit van tevoren wat je tegenkomt. Iedere situatie is weer anders. En mensen zitten ingewikkeld in elkaar. 
Ook lichamelijk.

Een bejaarde vrouw is gestruikeld op het trottoir. Gezicht open, schaafwonden, pols gebroken. Compleet van de wereld is ze. Maar komt dat alleen door de val? 
In haar handtasje zitten geen medicijnen. Dat is een goed teken. 
Of toch niet?
Na een minuut of tien is ze weer bij haar positieven. Ja, die pols doet pijn. Maar ze schaamt zich zo, zegt ze. Dat vindt ze veel erger. Zo erg dat ze er een beetje raar van werd.

Flauwgevallen tiener, thuis. 
Zware frituurlucht in de woning, een hond die als een dolle tekeergaat, tv keihard aan. Moeder loopt nerveus van woonkamer naar keuken naar dochterskamer naar woonkamer. Dochterlief staat inmiddels alweer overeind. 

Willem Poelstra [1] : Duiker


De fotograaf: 

In een ander leven was ik duiker. 
Honderd meter of meer de Noordzee in, werken aan oliepijpleidingen en gezonken schepen. Via een duikbel onder de juiste druk rechtstreeks naar beneden, een uur of acht beneden aan de slag, terug naar boven, naar de saturatiekamer om te eten, drinken, lezen en slapen, dit alles onder diezelfde juiste druk, en dan weer met die bel naar beneden.

Zoiets desnoods een dag of twintig achter elkaar, en aan het eind van de rit drie dagen de decompressietank in. Dan pas is er weer eens buitenlucht.

Wally Elenbaas: puzzelstukje


Op verzoek van uitgever (en galeriehouder) Aad Speksnijder sprak ik begin juli 2002 in Rotterdam enkele uren met de toen 90-jarige Wally Elenbaas. Speksnijder, die zelf bij het gesprek aanwezig was, wilde een boek uitbrengen met foto’s die Elenbaas in de loop der jaren had gemaakt van zijn vrouw Esther Hartog (1905-1998). Het boek zou verschijnen bij een expositie, later dat jaar in Museum Boijmans van Beuningen.
Hoewel ik Elenbaas niet eerder had ontmoet, was hij mij niet onbekend. In mijn archief bevonden zich de nodige artikelen en beschouwingen en hier en daar had ik ook zelf al eens woorden aan zijn werk gewijd.

De levens van Elenbaas en Hartog waren nogal vervlochten geweest. Het zou ongetwijfeld ook blijken uit de portretten en naaktfoto’s die hij van haar had gemaakt. Foto’s trouwens die op hun beurt weer aanleiding waren geweest tot andere foto’s: naakten van vriendinnen en modellen, minstens zo informeel, soms wat studieus maar daarom niet minder levendig. Over die foto’s zeiden beiden soms dat ze ze samen hadden gemaakt. Kortom, een verhaal over hem zou ook een verhaal over haar moeten zijn. En omgekeerd.

Ik besloot tot een chronologisch levensschetsje, opgezet in een consequent vol te houden hij-en-zij

Jehsong Baak: touching a nerve


Paris at night is a story on Jehsong Baak, recently published on the NPR website. [See * editor's note.] However, as those who are familiar with his work will know, Baaks nightly visions are not restricted to Paris.
Which brings back a story.

A few years ago I was able to have him travel to Schiermonnikoog, the smallest Dutch Wadden Sea-island. As for small: just the one village, just the one road leading to the one beach. 
The idea was for him to cover a glimpse of life and times of the place. (Baak was actually one of a crowd of seven photographers, none of them being there at the same

De geschiedenis van Marjorie Content


De naam Marjorie Content duikt de laatste jaren [*] regelmatig op in bloemlezingen van met name Amerikaanse 'vrouwenfotografie', zoals in Constance Sullivans Women Photographers (1990) en het recente History of Women Photography van Naomi Rosenblum (1994). 
Die aandacht is vooral het werk van Jill Quasha, verzamelaar van en handelaar in fine art photography, die in het midden van de jaren tachtig een deel van Contents stillevens, landschappen, straattaferelen en portretten in handen kreeg. De foto's waren tevoorschijn gekomen bij een zolderopruiming, kort voor Content in augustus 1984 op 89-jarige leeftijd overleed.

Diezelfde Quasha heeft nu ook een kleine monografie gewijd aan het werk van haar 'ontdekking'. Tweeënzeventig foto's bevat het boekje, plus een biografie die bij elkaar

Gregory Crewdson: werkelijkheid als poppenkast


Er kan in interviews met de Amerikaanse fotograaf Gregory Crewdson geen kunstenaar voorbijkomen of, beslist: een bron van inspiratie. Alfred Hitchcock? Zeker! Steven Spielberg? Nou en of! Edward Hopper? Zijn grote voorbeeld! David Lynch, Raymond Carver, Bruce Springsteen zelfs. Film, literatuur, beeldende kunst, muziek; alle konijnen zitten in Crewdsons hoge hoed. Zelfs fotografie. Cindy Sherman? Ja, die ook.

Al is voor de appreciatie van zijn foto’s die namedropping niet nodig. De voorbeelden dringen zich onwillekeurig al op, geworteld als ze zijn in de moderne culturele iconografie. De even ruimtelijke als zielloze suburbane kruispunten, de vrijstaande gevels met veranda en de schommelstoel, de woonkamers vol burgermans barok, het

Turfvaart


Simmerwente heette het huisje en ja, daar heb je het al.
Dat was Friesland.
Toen.
Een slaapkamer links, voor opoe en opa. Keuken aan de achterkant. Het hok waar de bolderkar stond. Boven een slaapkamer. Onder het puntdak, onder de balken.
Eén slaapkamer? Niet meer? Waar hebben pa en ma dan geslapen? Of stond er toch een slaapbank in de woonkamer?
De woonkamer aan de voorkant. Twee deuren in het midden, zo kwam je op de veranda, daar konden de stoelen op staan en dan was er nog een beetje plek over.
Onder aan de veranda het trapje naar beneden, naar het zandveldje voor het huis.
En daarachter (hoeveel grotemensenstappen zouden het geweest zijn?) de Schapendrift, zandpad met fietspad, van links naar rechts en omgekeerd.
Simmerwente.
Zomerhuisje.
Ja ja, je moet er maar opkomen.

Ik heb er nog een fotootje van. Ik zal een jaar of vier, vijf geweest zijn. Helemaal aan het begin van de

Omstreken


Het archief van Harry Cock ligt opgeslagen in zwartgrijze, ouderwetse, kantoorordners. Per ordner de negatiefstroken, gestoken in dunne en lang niet altijd doorzichtige papieren hoesjes. Kleinbeeldnegatieven uit de allervroegste jaren, iets grotere en meestal vierkante varianten uit de jaren erna. Iets groter - maar nog altijd kleiner dan een kinderhand.

Op de rug van iedere ordner een jaartal, sommige jaartallen twee, drie keer. Onder de jaartallen nu en dan een aanduiding. Een plaatsnaam, een onderwerp, soms enkele woorden. Woorden als Reddende Alledaagsheid, het juk waarmee hij zichzelf jarenlang dwong dag in dag uit minstens één foto te maken die er toe deed. Het maakte niet uit waarvan. Gewoon de deur uit, de straat op, aan het werk. 
Ambachtelijk zoiets, al lijkt dat woord steeds minder te horen bij fotografie nu de camera een computer is en het vergrotingsapparaat vervangen door een printer. Obsessief zou je het ook kunnen noemen: blijven kijken, blijven kijken, blijven kijken naar wat iedereen natuurlijk ook wel kon zien maar hij nu eenmaal anders. (Trouwens, heeft niet ieder ambacht zijn obsessieve kanten zoals iedere obsessie iets ambachtelijks heeft?)